De democratie in Europa worstelt met het oplossen van de financiële crisis. Als ware opgefokte symbolische hemelstier voerde Zeus de financiële crisis prinses Europa naar Griekenland. Daar baarde Europa een oude bekende: de technocraat. Na 20 jaar relatieve stabiliteit, liberalisering en democratisering staat Europa op een voor haar bekende T-splitsing. Links gloort de trage, soms onvoorspelbare en emotionele democratie, rechts de afstandelijke en kundige technocratie. In Athene en daarna Rome heeft een regeringswisseling plaatsgevonden zonder verkiezingen. In Athene werd premier Papademos geïnstalleerd. Een voormalig Grieks centraal bankier en lid van het bestuur van de Europese Centrale Bank. In Rome werd Mario Monti geïnstalleerd, professor, oud-eurocommissaris en adviseur van een bank. Ook in andere Europese lidstaten en in Amerika zijn politieke botsingen en technocratische bezweringen aan de orde van de dag. Het versterkt daarmee de oorzaken die aan de wieg van de financiële crisis stonden. Het ontbreekt technocraten namelijk aan één zaak: principes.

Aanloop financiële crisis
De aanloop naar de financiële crisis begint al in de jaren ’70, als het Westen na het inéénstorten van Bretton Woods geen vaste (goudgedekte) wisselkoersen heeft. De groei van de jaren ’50 en ’60 kan niet langer in stand gehouden worden door een combinatie van factoren. Ten eerste komt Europa in een loon-prijsspiraal terecht door stijgende loonkosten, die arbeiders wensen ter compensatie van jarenlange gematigde loonstijgingen en een hoge inflatie. Ten tweede het stijgen van de kosten van energie, waardoor productie en transport van fysieke goederen duurder wordt. Ten derde gaan overheden grote schulden aan om de opbouw van de verzorgingsstaat te kunnen betalen. Ten vierde, en misschien wel het belangrijkste, maakt Europa de overstap van een economie gericht op productie naar een economie gericht op diensten. En waar de productie overeind blijft is het niet langer voldoende om kapitaal te formeren om lineaire productiestijgingen te bewerkstelligen. Innovatie door middel van kapitaalintensief onderzoek is het middel om Europa een voorsprong te geven. De economie wordt kortom kapitaalintensiever en banken krijgen een grotere rol in de ontwikkeling van de economie. Maar snelle en grote groei blijft uit.
In de jaren ’80, als de schulden van overheden zijn opgelopen, de werkeloosheid groot is en innovatie uitblijft, is de dominante politieke opvatting dat de overheid zelf het probleem is. Door deregulering, privatisering, liberalisering onder leiding van Margareth Thatcher in het Verenigd Koninkrijk en Ronald Reagan in de Verenigde Staten wordt veel financiële regulering afgeschaft. Niet alleen nemen zij hiermee het ideologische besluit om de overheid een minder grote verantwoordelijkheid te geven, ook wordt geprobeerd groei in de financiële en dienstensector te genereren. Ook krijgt het ideaaltype van de bankier een plek in de cultuur. Zelfs nu nog worden krijtstreepstropdassen verkocht als de ‘Gordon Gekko’. Een andere, mogelijk cruciale, ontwikkeling is dat in de jaren tachtig met de financiële innovaties twee zaken bij hebben gedragen aan de complexiteit van de financiële sector. Ten eerste de opkomst van ingewikkelde bancaire (verzekerings)producten met een sterk juridisch karakter die het mogelijk maakten de balansen van de banken te laten exploderen. Ten tweede de opkomst van investeringsfondsen gelieerd aan financiële instellingen die, vaak onzichtbaar voor de toezichthouder, door middel van wiskundige rekenmodellen en computergestuurde transacties grote invloed hebben op marktbewegingen.
Deze twee ontwikkelingen, de toenemende complexiteit (juridisch en wiskundig) en gebrekkige transparantie (door deregulering en nieuwe financiële entiteiten) blijkt een cocktail gemaakt door technocraten die 25 jaar later de kern blijkt te vormen van de financiële crisis.
Maar daar komt nog een dimensie bij. In de jaren ’90 is sprake van een steeds verder globaliserende wereld. Daarin spelen multinationals en bankconglomeraten een steeds grotere rol. Maar in tegenstelling tot de private sector, globaliseert de publieke sector nauwelijks mee. Hoewel er meer handelsverdragen worden gesloten dan in de tientallen jaren tevoren en markten in Oost-Europa, Rusland en Azië ontsloten worden, is de institutionele globalisering zeer beperkt. De enige significante ontwikkeling is de monetaire eenwording in Europa onder de vlag van de ECB. Maar daar vergeet men juist dat de politieke eenwording moet meegroeien met een technoncratische monetaire unie. Een monetaire unie kan wel een politieke unie inluiden, maar alleen geforceerd en zeker niet organisch. Niet democraten, maar technocraten leiden de eenwording van Europa.
Terwijl de financiële sector steeds grotere bedragen heen en weer schuift tussen landen, groeit het toezicht op deze sector niet mee. Het thuisland van een bank verzorgt het toezicht op een bank. Ook heeft internationale regelgeving, los van de Basel-akkoorden, nauwelijks vat op financiële instellingen. De bestuurlijke en politieke realiteit krijgt daarmee een ander geografisch perspectief dan de financieel-zakelijke.
In het eerste decennium van deze eeuw blijft de complexiteit en globalisering toenemen, terwijl de transparantie van bankbalansen en het toezicht verder afneemt. Hier komt de rol van de technocraat naar voren. De rol van insiders in de financiële sector wordt steeds sterker. De rol van outsiders wordt steeds zwakker. Informatie is niet voorhanden, activiteiten onttrekken zich aan het oog of vinden elders plaats. De complexiteit zorgt dat veel tijd moet worden geïnvesteerd voordat men mee kan spreken in het jargon over de structuren, producten en activiteiten van financiële instellingen. De personele kruisbestuivingen tussen private partijen, de overheid en de politiek zijn talrijk. Wetenschappelijk onderzoek wordt steeds meer in opdracht van één van deze drie partijen verricht. De zwakke broeder van deze vier partijen is de politiek. Politici hebben van de vier actoren de minste tijd om de financiële wereld te doorgronden en hebben ook de minste middelen om dat uit te laten zoeken. Ze zijn in hoge mate afhankelijk van de andere actoren voor hun informatievoorziening. De financieel woordvoerders van partijen agendeerden nauwelijks structurele private financiële thema’s in het publieke debat. Dat wordt daarna ook niet of nauwelijks gecompenseerd door de waakhond van de democratie, de journalist.

Zijn technocraten wel de oplossing?
Maar hebben de technocraten het beter gedaan? Heeft het toezicht niet net zo hard gefaald? Waar waren de waarschuwingen en harde ingrepen? Waar waren de centrale bankiers die met renteverlagingen de leverage-ratio’s zo omhoog hebben gestuwd? Waar waren de bankiers zelf die de meest ingewikkelde producten verkochten met schema’s die meer op de printplaat van een kerncentrale doen denken dan aan een simpele verzekering of obligatie? Ze waren er in elk geval toen drastische maatregelen genomen moesten worden vanaf 2007. Bankiers werden plots minister in Amerika. Of werden toezichthouder. Of werden adviseur van het Europees parlement of van centrale banken.
In Europa verloren diverse democraten de meerderheid bij verkiezingen, bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk. Maar de technocraten verloren niet. Ze wonnen juist terrein vanwege hun veronderstelde technische kennisvoorsprong. Niet voor niets komt het woord technocraat van het Griekse woord ‘tekhne’ en ‘kratos’, kunde en macht.
Maar is de kracht van de technocraat niet juist een illusie van de geest? Het zijn grijze mannen met een degelijke, vaak economische, academische opleiding. Vrouw en kinderen zijn present en de ideologische drijfveren zijn vaak gematigd. En een academische loopbaan is eerder een pré dan een nadeel. Uit onderzoek van de London School of Economics van dit jaar blijken dit allemaal geen significante factoren te zijn als men een minister (van financiën) zoekt die de uitgaven en inkomsten van de staat in evenwicht moet brengen. De enige significante factor is ervaring in, jawel, de private of financiële sector. Maar dat is op dit moment alsof men de draaideurgevangene kroont tot gevangenisdirecteur omdat die zoveel ervaring heeft met gevangenissen.

Een idee kan geen waarheid op zich zijn
De ratio van de markten is er niet één van de absolute waarheid. Het is een ratio van de dominante economische veronderstellingen. De financiële crisis en de huidige schuldencrisis laten helder zien dat een zelfde denkkader van tegenspelers, van bankiers en toezichthouders, van overheden en private partijen van journalisten, wetenschappers en politici kan leiden tot een troebele blik. Technocraten die dezelfde lesboeken hebben bestudeerd, dezelfde werkplekken hebben gehad en dezelfde culturele opvattingen hebben die vele bankiers hebben zijn nauwelijks tegenspelers te noemen. Men heeft daarom nauwelijks tijd besteed aan de ideeën die achter de producten zaten, maar enkel als deskundigen gekeken naar de uitvoering en risico’s.
Technocraten binnen banken, toezichthouders en de overheid hebben toegestaan dat bankbalansen groter werden, de eigen vermogens kleiner, de producten complexer en de risico’s troebeler. Deze ontwikkelingen werden als louter beleidstechnische besluiten gezien. Het beste is dit te zien in de wetgeving. In plaats van simpel principe-gedreven toezicht verwerd het tot tienduizenden pagina’s lange specifieke wetgeving. Het vertrouwen en de welvaart die geschaad is door deze technocraten zou moeten worden terug verdiend. Ze juist meer vertrouwen gunnen en ze boven verkozen vertegenwoordigers plaatsen strekt simpelweg niet met de realiteit van het beschaamde vertrouwen.
Nu de financiële crisis door advies en besluiten van de technocratische elite van de bankbalansen naar de balans van de overheid is verplaatst, is het onverteerbaar dat technocraten ook daar de dienst mogen uitmaken. Nu tien tot vijfentwintig procent van de welvaart is verdampt en de publieke schulden met bijna 50 procent zijn toegenomen in de westerse wereld lijken de technocraten meer dan ooit vertrouwensposities te bezetten.

Het alternatief: de democratische gemeenschap
Wat is het alternatief? Maken politici er niet net zo’n zooitje van, iets dat we kunnen aanschouwen nu eurotop na eurotop mislukt? De spanningen in de de Britse, Duitse, Nederlandse, Belgische, Franse, Slowaakse, Spaanse, Italiaanse, Griekse, Finse, Ierse en Portugese nationale politiek; duiden die niet op een politiek systeem dat ook niet probleemoplossend werkt? Ja. Maar toch kunnen alleen democraten op lange termijn het verschil maken. De kern van politiek is vertegenwoordiging, waardengedreven besluitvorming in plaats van waardegedreven besluitvorming en instrumenten om pijn en genot te herverdelen. We zouden meer moeten kijken naar de werken van Jeremy Bentham. Het leven, zo beargumenteert hij, draait om twee prikkels: pijn en genot. Technocraten begrijpen dat niet. Democraten wel. Juist omdat nu de vraag is wie de schulden en het welvaartsverlies gaat betalen, moeten democraten daarover besluiten. Technocraten kijken naar systemen, democraten naar gemeenschappen. Het zou nu moeten gaan om het grootste geluk voor de grootste gemeenschap. Niet om de, belangrijke, belangen van het kleinste aantal. Zodra we dat niet voorop stellen vergooien we niet alleen ons financieel vermogen, maar ook onze democratische samenleving. Technocraten kunnen op korte termijn markten kalmeren, maar nooit op lange termijn verandering bewerkstelligen. Er is geen technocraat te bedenken die een nieuwe tijd heeft ingeluid, hooguit begeleiden ze die. Economische veranderingen op lange termijn verdienen nu prioriteit. Laat daarom de technocraten zo snel mogelijk plaatsnemen daar waar ze horen: de coulissen.
Sywert van Lienden